Taalstoornissen hebben te maken met beperkingen in de mogelijkheden om talige symbolen te gebruiken voor de communicatie. Bij deze communicatie denken we niet enkel aan de mondelinge communicatie, maar eveneens aan de schriftelijke communicatie van lezen en schrijven.


De verschijnselen van taalstoornissen komen zowel bij kinderen als bij volwassenen voor. Bij kinderen kan men drie types onderscheiden: een vertraagde en gestoorde taalontwikkeling, lees-, schrijf- en rekenstoornissen, en verworven taalstoornissen. Bij volwassenen onderscheiden we eveneens drie types: afasie, taaldeterioratie en taalconfusie. Al deze problemen kunnen alleen te maken hebben met de taalproductie, maar ook het taalbegrip kan onvoldoende zijn.


TAALSTOORNISSEN BIJ KINDEREN:

De taalontwikkeling verloopt volgens een bepaald patroon. Enige houvast hierbij kunnen we vinden bij de Minimum Spreeknormen (Goorhuis & Schaerlaekens, 2000), de taalprestaties die het kind minimaal moet vertonen op een bepaalde leeftijd.


Deze normen zijn als volgt weer te geven:

  • 1 jaar:

Het kind brabbelt veel en gevarieerd, zowel in klankpatroon als melodie. Het probeert via wijzen en brabbelen gericht en doelbewust dingen te bekomen of er de aandacht op te vestigen. Het kind reageert tevens op zijn eigen naam en leert dat personen, voorwerpen en gebeurtenissen een naam hebben.


  • 1;6 jaar:

Het kind zegt naast de woordjes papa en mama nog een vijftal andere woordjes. Deze woordjes zijn veelal nog onvolledig, bijvoorbeeld: paa (paard), pa-pu (paraplu). Het kind begrijpt wel meer woorden dan het zelf gebruikt.


  • 2 jaar:

Eerst spreekt het kind in éénwoordzinnen waarbij één woord staat voor een hele zin. Bijvoorbeeld: bal staat voor 'Waar is de bal?'. Dit gaat geleidelijk over naar tweewoordzinnen, bijvoorbeeld: koek eten, bal hebben. Ongeveer de helft van wat het kind zegt wordt door de anderen verstaan.


  • 3 jaar:

Nu spreekt het kind al in drie- tot vijfwoorduitingen. De grammaticale structuur van deze uitingen is vaak nog erg afwijkend van de volwassen grammaticale structuur, bijvoorbeeld: ik is recht bij de wei hardgeloopt (ik ben langs het weiland gerend). Ongeveer driekwart van wat het kind zegt wordt door anderen verstaan.


  • 4 jaar:

Het kind is in staat te spreken in eenvoudige, enkelvoudige zinnetjes met al meer grammaticale structuur. Zo begint het werkwoorden te vervoegen en gebruikt het de eerste meervoudsvormen. De woordenschat breidt nu zeer snel uit. Daarom kan het reeds eenvoudige vragen beantwoorden.


  • 5 jaar:

Het kind spreekt nu in redelijk goed gevormde zinnen. Ook kan het samengestelde zinnen gebruiken. Vrijwel alles van wat het kind zegt wordt door de anderen verstaan. Omgekeerd begrijpt het kind het alledaagse taalgebruik.


Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop. We spreken dan over een dysfatische ontwikkeling of een primaire taalontwikkelingsstoornis. Voor de taalachterstand is geen duidelijke oorzaak, zoals mentale retardatie of slechthorendheid, aan te wijzen. De stoornis treft zowel de ontwikkeling van de taalvorm, de taalinhoud als het taalgebruik. De taalvorm betreft de manier waarop woorden en zinnen gevormd worden, alsook de manier waarop grammaticale regels toegepast worden. De taalinhoud heeft te maken met de betekenis van woorden en zinnen. Het taalgebruik verwijst naar het feit dat men rekening moet houden met de situatie, de omgeving en de sociale context waarin men zich bevindt.


Soms vertoont het kind ook kenmerken van hyperkinetisch gedrag, stoornissen in de aandacht en de concentratie, motorische stoornissen, ... Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge van een verstandelijke handicap, een gehoorstoornis of een psychische stoornis, dan spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis.


Naast deze primaire en secundaire taalontwikkelingsstoornissen kan het ook zijn dat de taalontwikkeling totaal niet tot stand komt. Met andere woorden: het kind praat niet/zeer weinig, hoewel men dat volgens de leeftijd wel kan verwachten. Dit kan vaak een eerste aanduiding zijn dat er iets ernstigs aan de hand is zoals doofheid of een neurologische aandoening. Een uitgebreid multidisciplinair onderzoek is dan aan te raden.


Verworven taalstoornissen

Zoals de naam reeds doet vermoeden gaat het bij verworven taalstoornissen om een taalstoornis die het gevolg is van een hersenletsel. Deze hersenbeschadiging doet zich voor op het ogenblik dat het taalsysteem al begonnen is zich te ontwikkelen, maar nog incompleet ten tijde dat de hersenbeschadiging optreedt.


De oorzaken die kunnen leiden tot dergelijke kinderafasie zijn meestal stoornissen in de bloedvoorziening, traumata, tumoren en meningitis. Bovendien kunnen bij kinderen ook epileptische aanvallen aanleiding zijn tot het ontstaan van afasie.


Wanneer men de taal van kinderen met een kinderafasie gaat bekijken, bemerken we een zeer wisselend beeld met vooral expressieve taalproblemen. Zo is hun manier van spreken niet-vloeiend en sterk gereduceerd. Ook spreken deze kinderen vaak in telegramstijl. Het taalbegrip daarentegen is bij deze kinderen meestal intact gebleven.

(Goorhuis & Schaerlaekens, 2000)


TAALSTOORNISSEN BIJ VOLWASSENEN:

AFASIE

Afasie is een taalstoornis, veroorzaakt door een hersenletsel, waarbij het spreken, begrijpen, lezen en schrijven gestoord kan zijn. Deze persoon heeft dus enkel problemen met het uiten en het begrijpen van de taal, en niet met het denken.


Verschillende stoornissen kunnen een hersenletsel veroorzaken, maar in 2/3 van de gevallen betreft het een stoornis in de bloedvoorziening van de hersenen. Men noemt dit een cerebrovasculair accident (CVA). In de volksmond is dit beter bekend als een beroerte of een attaque. De oorzaak van zulk CVA is een onderbreking van de bloedvoorziening naar een gedeelte van de hersenen. Deze onderbreking kan het gevolg zijn van een bloedstolsel, een trombose of een gescheurde vaatwand. Naast dit CVA kunnen een hersentumor, een hersentrauma of infecties eveneens een afasie veroorzaken.


Er bestaan verschillende vormen en ernstgraden van afasie. In wat volgt bespreken we kort de meest voorkomende afasietypes (Dharmaperwira-Prins & Maas, 2005).


  • Afasie van Broca:

Personen met een afasie van Broca spreken niet vloeiend. Het spreken kost hen veel moeite en er zijn veel pauzes. De zinsbouw is sterk vereenvoudigd en sommige personen spreken in zinnen van 1 à 2 woorden (telegramstijl). Functiewoorden (zoals de,het) worden weggelaten en werkwoorden worden zelden vervoegd. De inhoudswoorden kunnen daarentegen wel aanwezig zijn maar de persoon heeft toch ernstige woordvindingsproblemen.Sommige woorden worden niet goed gevormd maarzijn wel nog herkenbaar, bijvoorbeeld 'lidodade' inplaats van 'limonade'. Dezelfde problemen doen zichvoor bij het schrijven.Het begrijpen kan redelijk goed zijn maar bij langere,complexe zinnen doen zich problemen voor. Het hardop lezen is eveneens gestoord. De persoon is zich zeer goed bewust van de moeilijkheden en vertoont veel frustratie.


  • Afasie van Wernicke:

De persoon met een Wernicke afasie spreekt heel vloeienden is daarbij geneigd om steeds maar door te praten zonder rekening te houden met zijn gesprekspartner (spraakdwang). De zinsbouw is afwijkend doordat verschillende zinnen in elkaar geschoven worden. De woorden zijn zowel naar klank als betekenis vervormd (vb. 'appel' in plaats van 'peer'). Soms worden onbestaande woorden gebruikt om iets aan te duiden. Dezelfde problemen doen zich voor bij het hardop lezen en het schrijven. Het begrijpen van wat mensen zeggen is zwaar tot zeer zwaar gestoord. Door het slecht taalbegrip heeft de getroffen persoon vaak weinig besef van de eigen taalproblemen en ziet hij niet in waarom de anderen hem niet verstaan.


  • Amnestische afasie:

De amnestische afasie kenmerkt zich vooral door woordvindingsproblemen. De spraak is vloeiend maar de getroffene blokkeert regelmatig omdat hij het juiste woord niet vindt. Hierdoor worden zinnen afgebroken en komen er veel pauzes voor. De persoon is zich goed bewust van de stoornis en kan zich meestal goed verstaanbaar maken door bijvoorbeeld omschrijvingen te geven. Ook bij het schrijven wordt de persoon gehinderd door woordvindingsproblemen. Het begrijpen is (redelijk) intact. Lezen en schrijven kunnen wel of niet gestoord zijn.


  • Globale afasie:

Dit is de meest ernstige vorm van afasie. De spontane spraak is heel beperkt. Soms gebruikt de getroffene enkel een steeds terugkerende uiting zoals 'amen', 'ja', 'godver-domme' of losse lettergrepen. Andere personen met een globale afasie kunnen helemaal niets meer zeggen (mutisme) of hebben slechts sporadisch toegang tot een woord. Het taalbegrip is slecht tot zeer slecht. Ook lezen en schrijven zijn onmogelijk.


Afhankelijk van de plaats van het hersenletsel kunnen er nog een reeks andere stoornissen optreden. We denken hierbij aan een halfzijdige verlamming van de ledematen, een uitval van de gevoeligheid, halfzijdige blindheid, concentratie- en geheugenstoornissen. Deze stoornissen kunnen het functioneren van de persoon ernstig bemoeilijken.


TAALCONFUSIE

Taalconfusie betekent een verwardheid in de taal. Er zijn moeilijkheden om de omgeving te verstaan en te herkenen. Het gaat gepaard met een gestoord geheugen, verward denken en een desoriëntatie in tijd en ruimte. Op zich is de woordenschat en de zinsbouw normaal, maar bij het spontaan spreken vallen er toch irrelevante en gefantaseerde taaluitingen op. Het lezen en het schrijven is zeer wisselend. Tevens kan er een aantasting zijn van de intelligentie.

De oorzaken van taalconfusie zijn vooral gelegen in traumata (accidenten), CVA, infecties, intoxicaties en drugs. (Stes, 1993)


TAALDETERIORATIE

Taaldeterioratie komt zeer veel voor bij ouderen. Er is een wisselend patroon volgens de aftakeling. Typerend is wel de gestoorde oriëntatie, de beperkingen in het geheugen en de emotionele labiliteit. In principe zijn er geen motorische stoornissen.

Taaldeterioratie is meestal het gevolg van de ziekte van Alzheimer, of neuro-psychiatrische aandoeningen zoals de ziekte van Parkinson. (Stes, 1993)


TAALSTOORNISSEN BIJ DEMENTIE

Bij dementie (ziekte van Alzheimer of andere vormen van dementie) en bepaalde ouderdomsziekten wordt naast het geheugen ook het taalvermogen aangetast.

Taalstoornissen

Leerstoornissen

Voor een kind met een leerprobleem is het zeer belangrijk dat zijn probleem op tijd (h)erkend wordt, dit om bijkomende problemen zoals demotivatie, faalangst en gedragsproblemen te voorkomen (Hellinckx & Ghesquière, 2005).

Bij de leerstoornissen maken we een drieledige indeling: dyslexie, dysorthografie en dyscalculie (Stes, 1993).


DYSLEXIE

We spreken van dyslexie als het (leren) lezen ernstig gestoord verloopt. Hierbij doen er zich fouten voor op klankniveau. Zo laat het kind letters weg (bijvoorbeeld: kuis i.p.v. kruis), voegt er toe (bijvoorbeeld: haast i.p.v. haas) of vervangt letters (bijvoorbeeld: kaast i.p.v. kast). Of het kind leest wat hij denkt dat er staat en niet wat er werkelijk staat. Deze leesstrategie noemen we de radende leesstrategie. In tegenstelling tot deze radende leesstrategie spreekt men ook van een spellende leesstrategie. Hierbij blijft het kind langdurig hakken en plakken, waardoor het leestempo sterk daalt.


DYSORTHOGRAFIE

Dysorthografie is een stoornis bij het leren foutloos schrijven. Er treden schrijffouten op, zoals fouten tegen de tweeklanken (uj i.p.v ui, ue i.p.v. eu) of de medeklinker ten onrechte enkel of dubbel schrijven (bijvoorbeeld: baker i.p.v. bakker). Deze stoornis komt zelden afzonderlijk voor en gaat meestal gepaard met een leesstoornis. De meeste kinderen met een leesstoornis ondervinden trouwens ook problemen bij het spellen. Daarom gebruiken we de term dyslexie voor de beide problemen.


DYSCALCULIE

Wanneer er zich ernstige rekenstoornissen voordoen, spreekt men van dyscalculie.


Om U als ouder, leerkracht of hulpverlener vaardiger te maken in het herkennen van dyslexie/dyscalculie vermelden we kort enkele typische kenmerken op kleuter- en basisschoolniveau (Ceyssens, 2001, 2002):


  • Herkennen van dyslexie

In de kleuterklas:

  • links-rechtsoriëntatie (spiegelschrift van letters en cijfers, verkeerde richting schrijven)
  • onthouden van namen, versjes en gedichtjes is moeilijk
  • letterspelletjes: moeite met het herkennen van dezelfde letter op een blad, maken van rijmwoorden, maken van een woord dat begint met dezelfde letter
  • talig zwakke kinderen: woordvindingsmoeilijkheden, weinig fantasiespel
  • kinderen die ruimtelijk zwakker zijn: zelden of nooit puzzelen, weinig met constructiemateriaal werken
  • opletten wanneer broertjes of zusjes reeds de diagnose van dyslexie hebben gekregen


In de basisschool: 

  •  ze maken geen andere fouten, maar wel meer fouten
  • hardnekkige fouten
  • vooral zwak in lezen en schrijven
  • geen andere oorzaken die zwakke prestaties kunnen verklaren
  • vastlopen bij vreemde talen
  • moeite met automatiseren van nieuwe leerstof


  • Herkennen van dyscalculie

In de kleuterklas:

  • moeilijkheden met begrippen: voor, achter, links, rechts, naast, boven en onder
  • naam, cijfers in spiegelbeeld
  • de tijdsbegrippen morgen, gisteren en de dagen van de week zijn niet eenvoudig
  • kunnen niet tot 20 tellen: verwisselen bepaalde getallen of ze onthouden er een aantal niet
  • kiezen weinig voor constructieve spelen
  • verbaal wel sterk


In de basisschool:

  • spiegelen van getallen
  • oefeningen van rechts naar links maken
  • geen getalinzicht
  • automatisatie van de tafels en de deelsommen
  • richtingsproblemen bij het schrijven van grote getallen, bij het lezen van de klok
  • kunnen moeilijk tussenbewerkingen onthouden


Wat de precieze oorzaak is van dyslexie en dyscalculie is momenteel nog onbekend. Vermoedelijk gaat het om een veelheid van mogelijke oorzakelijke factoren. Wel weet men dat ze allen hun oorsprong vinden in tekorten in het taalvermogen van het kind, terwijl er sprake is van een normale intelligentie. Het kind heeft dan problemen met het omzetten van de gesproken taal in geschreven taal (spellen). Maar ook het omzetten van schrijftaal naar spraak (lezen) verloopt moeilijk. Bij rekenstoornissen is er sprake van een achterstand in specifieke rekenvaardigheden, zoals visueel-ruimtelijke problemen.


Spraakstoornissen

Spraakstoornissen hebben te maken met de veruitwendiging van taal en interfereren met de taalreceptie en taalexpressie. Soms zullen spraakstoornissen interfereren met de niet linguïstische elementen van de communicatie. Ze storen dan niet alleen omdat de taalinhoud, taalvorm en taalgebruik verhinderd worden, maar ook omdat ze de aandacht kunnen afleiden van de communicatie.


ARTICULATIESTOORNISSEN

Articuleren is een typisch spreekgedrag, namelijk het vormen van spraakklanken door aanpassingen in het aanzetstuk, d.i. in de keel-, mond- en neusruimte. (Stes, 1993)
Verschillende componenten hangen samen met het normale articulatieproces:

  • Een psychische of psycholinguïstische component: alles wat te maken heeft met het coderen en decoderen in betekenisdragende elementen. M.a.w. met de associaties tussen klank en betekenis, met klankverschillen die ook betekenisverschillen geven.
  • Een biologische component: het geheel van lichamelijke structuren dat het voortbrengen van klanken mogelijk moet maken. M.a.w. zowel het spreekmechanisme als een deel van ons zenuwstelsel dat instaat voor de organisatie van klankpatronen en spierbewegingen én een zintuigsysteem dat instaat voor de controle.
  • Een perceptuele of psycho-akoestische component: alles wat samenhangt met de akoestische kenmerken van de gearticuleerde klanken en met het begrijpen, het vertalen van deze klanken aan de hand van de onderlinge relaties tussen deze akoestische (fysische) kenmerken. (Stes, 1997)

Bij articulatiestoornissen gaat er iets fout bij het goed en duidelijk articuleren: Wanneer spraakklanken consequent anders geproduceerd worden dan overeenkomstig culturele normen of leeftijdsnormen, spreken wij over een afwijkend articulatiegedrag of een articulatiestoornis. (Stes, 1997, 21)

Verschillende types van articulatiestoornissen:

Myofunctionele articulatiestoornissen
Dit subtype van articulatiestoornissen wordt geassocieerd met problemen van structurele aard. Het articulatiegedrag wijkt af ten gevolge van of ter compensatie voor afwijkingen in het primaire mondgedrag, het slikken en/of andere myofunctionele stoornissen.

                                                                                                       Oro-myofunctionele therapie (OMFT) 
Myofunctionele therapie is een oefentherapie die gericht is op het herstellen van een verstoord evenwicht in het functioneren van de spieren in en om de mond.
‘Normaal’ gesproken is er een functioneel evenwicht tussen de werking van de spieren in en rond de mond. De kauwspieren, de tong, de lippen, de kinspieren etc. oefenen daarbij ieder functionele krachten uit op het gebit. Als bepaalde spieren of spiergroepen dus niet goed functioneren, heeft dit vrijwel altijd een direct gevolg voor de vorm van het gebit en/of de kaken. 
Het doel van myofunctionele therapie is het weer in evenwicht brengen van alle mondspieren door middel van oefeningen en het afleren van verkeerde reflexen, zodat de vorm en functie van kaken en tanden/ kiezen weer hersteld kunnen worden.
Wanneer oro-myofunctionele therapie?

  • Mondademen
  • Verkeerde stand van kiezen en/ of kaken
  • Duimzuigen, vingerzuigen, speenzuigen, nagelbijten waar eigenlijk niet of zeer moeilijk van af te komen is
  • Bij een ‘slappe’ lipspanning
  • Indien er sprake is van een smal of hoog gehemelte
  • Bij spraakmoeilijkheden bv. slissen of lispelen                                                                                           
  • Bij moeilijkheden met slikken of eten
  • Indien er sprake is van een verkeerde tongpositie in rust
  • Bij kaakgewrichtsklachten
  • Indien na orthodontische behandeling de verholpen afwijking weer (gedeeltelijk) terugkomt

Wat?

De myofunctionele therapie bestaat uit:
Het afleren van duim- vinger of speenzuigen,...

  • Het afleren van mondademen
  • Het aanleren van een goede slikgewoonte
  • Oefeningen ter beperking van kaakgewrichtsklachten
  • Een correcte tongpositie aanleren tijdens het uitspreken van alveolaire klanken (l, n, d, t, s, z en r)
    Frequentie:

Myofunctionele therapie omvat ongeveer 15- 20 therapiebeurten (dit kan per individu sterk verschillen). In het begin worden deze beurten wekelijks ingepland.
(bron: omft.info)


Functionele articulatiestoornissen
Het betreft hier articulatiestoornissen, geassocieerd met problemen met het leren: het articulatiegedrag is afwijkend doordat er fouten zijn geslopen in het leerproces. Het gaat hier dus in essentie om foutieve gewoonten in de wijze waarop wordt gearticuleerd. De functionele articulatiestoornis kan worden opgesplitst in fonetische articulatiestoornissen en/of fonologische articulatiestoornissen.

Fonetische articulatiestoornissen hebben te maken met een verstoring in de planning of uitvoering van articulatiebewegingen.

Fonologische stoornissen hebben te maken met het gebruik van spraakklanken binnen de taal.

Neurogene articulatiestoornissen worden geassocieerd met problemen van neurologische aard (bijvoorbeeld gevolg van stoornissen in de spiercontrole, een zwakte, traagheid of een incoördinatie van het spreekmechanisme, gevolg van letsels in het centraal en/of perifeer zenuwstelsel…). (Stes, 1997)


STOORNISSEN BIJ HET VLOEIEND SPREKEN

Om deze problematiek te behandelen, zijn wij ervan overtuigd dat de behandelende logopedist gespecialiseerd moet zijn in het stotteren. Aangezien wij deze specialisatie nog niet hebben binnen ons team, zullen wij deze problematiek niet behandelen en zullen wij u doorverwijzen naar een stottertherapeut.

Hieronder vindt u wel enige informatie aangaande het stotteren.


Stotteren is een spraakstoornis waarbij de vlotte opeenvolging van spreekbewegingen onderbroken wordt. Het gaat hierbij niet om een woord moeten zoeken, een zin anders moeten opbouwen. Er doen zich ongewild en onvrijwillig onderbrekingen voor meestal binnenin een woord. Stotteren ontstaat op jonge leeftijd. Bij 50 van de kinderen die stotteren ontstaan het voor de leeftijd van 3 jaar. In 75 van de gevallen ontstaat het voor 5 jaar en vrijwel altijd ontstaat stotteren voor de leeftijd van 9 jaar (Boey, 2008).


We onderscheiden 3 grote groepen van stottermomenten:

  • het herhalen van woorden, lettergrepen of klanken:
  • het verlengen van klanken:
  • het vastzitten (blokkeren) op een klank (luid of stil):


Stemstoornissen

Een stemstoornis is een aandoening van de stem of het stemapparaat, met als gevolg afwijkingen in de klank, de omvang en het volume van de stem. Bij patiënten met een stemstoornis is het stemgeluid hees, schor, te hoog, te laag, te zacht of te luid of de stem valt weg of slaat over. Veel of lang praten lukt meestal niet en zingen helemaal niet. Er kan sprake zijn van keelpijn, keelschrapen, hoesten en een vermoeid gevoel in de keel. Ook kunnen er klachten zijn met betrekking tot de ademhaling. Veel beroepssprekers, zoals bijvoorbeeld leerkrachten, kunnen met stemstoornissen te maken krijgen, maar ook kinderen en mensen die hun stem niet zo intensief gebruiken. Logopedische begeleiding kan foutief stemgebruik afbouwen en correct stemgebruik aanleren.


Functionele stemstoornissen: Bij functionele stoornissen is er geen letsel op de stembanden aanwezig. De oorzaken van functionele stemstoornissen zijn verkeerd stemgebruik (foutieve stemtechniek) of stemmisbruik ( veelvuldig roepen). Indien dit alles geen goede begeleiding krijgt, kunnen deze eveneens resulteren in organische stemstoornissen zoals bijvoorbeeld stembandknobbels. 

Organische stemstoornissen: Bijvoorbeeld een stembandverlamming of stottenhoofdkanker.

Resonantiestoornissen: De keel-neus- en mondholte dienen als klankkast voor het geluid dat de stemplooien voortbrengen. Het stemgeluid wordt namelijk versterkt door het meetrillen van de lucht in deze holten. Indien de holten niet goed kunnen afgesloten worden, krijg je een resonantiestoornis. De meest voorkomende is de resonantiestoornis bij kinderen ten gevolge van schisis.