Spraakstoornissen

INLEIDING

Spraakstoornissen hebben te maken met de veruitwendiging van taal en interfereren met de taalreceptie en taalexpressie. Soms zullen spraakstoornissen interfereren met de niet – linguïstische elementen van de communicatie. Ze storen dan niet alleen omdat de taalinhoud, taalvorm en taalgebruik verhinderd worden, maar ook omdat ze de aandacht kunnen afleiden van de communicatie.


Men kan de spraakstoornissen indelen volgens de spraakprocessen:


  • De articulatiestoornissen
  • De stemstoornissen
  • De stoornissen in het vloeiend spreken

  • (Stes, 1993)


    ARTICULATIESTOORNISSEN

    Articuleren is een typisch spreekgedrag, namelijk het vormen van spraakklanken door aanpassingen in het aanzetstuk, d.i. in de keel-, mond- en neusruimte. (Stes, 1993)

    Verschillende componenten hangen samen met het normale articulatieproces:

  • Een psychische of psycholinguïstische component: alles wat te maken heeft met het coderen en decoderen in betekenisdragende elementen. M.a.w. met de associaties tussen klank en betekenis, met klankverschillen die ook betekenisverschillen geven…
  • Een biologische component: het geheel van lichamelijke structuren dat het voortbrengen van klanken mogelijk moet maken. M.a.w. zowel het spreekmechanisme als een deel van ons zenuwstelsel dat instaat voor de organisatie van klankpatronen en spierbewegingen én een zintuigsysteem dat instaat voor de controle.
  • Een perceptuele of psycho-akoestische component: alles wat samenhangt met de akoestische kenmerken van de gearticuleerde klanken en met het begrijpen, het ‘vertalen’ van deze klanken aan de hand van de onderlinge relaties tussen deze akoestische (fysische) kenmerken. (Stes, 1997)

  • Bij articulatiestoornissen gaat er iets fout bij het goed en duidelijk articuleren: “Wanneer spraakklanken consequent anders geproduceerd worden dan overeenkomstig culturele normen of leeftijdsnormen, spreken wij over een afwijkend articulatiegedrag of een articulatiestoornis.” (Stes, 1997, 21)

    We bespreken verder de verschillende types van articulatiestoornissen:

    Functionele articulatiestoornissen

    Het betreft hier articulatiestoornissen, geassocieerd met problemen met het leren: het articulatiegedrag is afwijkend doordat er fouten zijn geslopen in het leerproces. Het gaat hier dus in essentie om foutieve gewoonten in de wijze waarop wordt gearticuleerd. De functionele articulatiestoornis kan worden opgesplitst in fonetische articulatiestoornissen en/of fonologische articulatiestoornissen.

    Fonetische articulatiestoornissen hebben te maken met een verstoring in de planning of uitvoering van articulatiebewegingen.

    Fonologische stoornissen hebben te maken met het gebruik van spraakklanken binnen de taal.

    Neurogene articulatiestoornissen

    Deze vorm van articulatiestoornissen wordt geassocieerd met problemen van neurologische aard (bijvoorbeeld gevolg van stoornissen in de spiercontrole, een zwakte, traagheid of een incoördinatie van het spreekmechanisme, gevolg van letsels in het centraal en/of perifeer zenuwstelsel…). (Stes, 1997)

    Myofunctionele articulatiestoornissen


    Dit subtype van articulatiestoornissen wordt geassocieerd met problemen van structurele aard. Het articulatiegedrag wijkt af ten gevolge van of ter compensatie voor afwijkingen in het primaire mondgedrag, het slikken en/of andere myofunctionele stoornissen.

    Oro-myofunctionele therapie (OMFT) 

    Myofunctionele therapie is een oefentherapie die gericht is op het herstellen van een verstoord evenwicht in het functioneren van de spieren in en om de mond.
    ‘Normaal’ gesproken is er een functioneel evenwicht tussen de werking van de spieren in en rond de mond. De kauwspieren, de tong, de lippen, de kinspieren etc. oefenen daarbij ieder functionele krachten uit op het gebit. Als bepaalde spieren of spiergroepen dus niet goed functioneren, heeft dit vrijwel altijd een direct gevolg voor de vorm van het gebit en/of de kaken. 

    Het doel van myofunctionele therapie is het weer in evenwicht brengen van alle mondspieren door middel van oefeningen en het afleren van verkeerde reflexen, zodat de vorm en functie van kaken en tanden/ kiezen weer hersteld kunnen worden.

    Wanneer oro-myofunctionele therapie?

    • Mondademen
    • Verkeerde stand van kiezen en/ of kaken
    • Duimzuigen, vingerzuigen, speenzuigen, nagelbijten waar eigenlijk niet of zeer moeilijk van af te komen is
    • Bij een ‘slappe’ lipspanning
    • Indien er sprake is van een smal of hoog gehemelte
    • Bij spraakmoeilijkheden bv. slissen of lispelen                                                                                            

    • Bij moeilijkheden met slikken of eten
    • Indien er sprake is van een verkeerde tongpositie in rust
    • Bij kaakgewrichtsklachten
    • Indien na orthodontische behandeling de verholpen afwijking weer (gedeeltelijk) terugkomt

    Wat? De myofunctionele therapie bestaat uit:
    • Het afleren van duim- vinger of speenzuigen,...
    • Het afleren van mondademen
    • Het aanleren van een goede slikgewoonte
    • Oefeningen ter beperking van kaakgewrichtsklachten
    • Een correcte tongpositie aanleren tijdens het uitspreken van alveolaire klanken (l, n, d, t, s, z en r)


    Frequentie: Myofunctionele therapie omvat ongeveer 15- 20 therapiebeurten (dit kan per individu sterk verschillen). In het begin worden deze beurten wekelijks ingepland.
    (bron: omft.info)


    STEMSTOORNISSEN

    Een stemstoornis is een aandoening van de stem of het stemapparaat, met als gevolg afwijkingen in de klank, de omvang en het volume van de stem. Bij patiënten met een stemstoornis is het stemgeluid hees, schor, te hoog, te laag, te zacht of te luid of de stem valt weg of slaat over. Veel of lang praten lukt meestal niet en zingen helemaal niet. Er kan sprake zijn van keelpijn, keelschrapen, hoesten en een vermoeid gevoel in de keel. Ook kunnen er klachten zijn met betrekking tot de ademhaling.

    Stemstoornissen worden als volgt opgedeeld:

    Functionele stemstoornissen: 
    Bij functionele stoornissen is er geen letsel op de stembanden aanwezig. De oorzaken van functionele stemstoornissen zijn verkeerd stemgebruik (foutieve stemtechniek) of stemmisbruik ( veelvuldig roepen). Indien dit alles geen goede begeleiding krijgt, kunnen deze eveneens resulteren in organische stemstoornissen zoals bijvoorbeeld stembandknobbels. 

    Organische stemstoornissen: 
    Bijvoorbeeld een stembandverlamming of stottenhoofdkanker.

    Resonantiestoornissen
    : De keel-neus- en mondholte dienen als klankkast voor het geluid dat de stemplooien voortbrengen. Het stemgeluid wordt namelijk versterkt door het meetrillen van de lucht in deze holten. Indien de holten niet goed kunnen afgesloten worden, krijg je een resonantiestoornis. De meest voorkomende is de resonantiestoornis bij kinderen ten gevolge van schisis.

    Veel beroepssprekers, zoals bijvoorbeeld leerkrachten, kunnen met stemstoornissen te maken krijgen, maar ook kinderen en mensen die hun stem niet zo intensief gebruiken. Logopedische begeleiding kan foutief stemgebruik afbouwen en correct stemgebruik aanleren.

    STOORNISSEN BIJ HET VLOEIEND SPREKEN

    Om deze problematiek te behandelen, zijn wij ervan overtuigd dat de behandelende logopedist gespecialiseerd moet zijn in het stotteren. Aangezien wij deze specialisatie nog niet hebben binnen ons team, zullen wij deze problematiek niet behandelen en zullen wij u doorverwijzen naar een stottertherapeut.
    Hieronder vindt u wel enige informatie aangaande het stotteren.

    Stotteren is een spraakstoornis waarbij de vlotte opeenvolging van spreekbewegingen onderbroken wordt. Het gaat hierbij niet om een woord moeten zoeken, een zin anders moeten opbouwen… Er doen zich ongewild en onvrijwillig onderbrekingen voor meestal binnenin een woord.

    We onderscheiden 3 grote groepen van stottermomenten:

  • het herhalen van woorden, lettergrepen of klanken:
  • ik-ik-ik-ik-ik ben …
    die heeft dat ge-ge-gedaan
    i-i-i-is dat nieuw?

  • het verlengen van klanken:
  • waaaant dat is van mij
    gggga jij mee?

  • het vastzitten (blokkeren) op een klank (luid of stil):
  • d.at is nieuw
    i.ik heb dat gedaan

    Stotteren ontstaat op jonge leeftijd. Bij 50 van de kinderen die stotteren ontstaan het voor de leeftijd van 3 jaar. In 75 van de gevallen ontstaat het voor 5 jaar en vrijwel altijd ontstaat stotteren voor de leeftijd van 9 jaar (Boey, 2008).